Bedienungsleiste


Geschiedenis van St.Tönis in het kort

von Werner Lessenich                   
vertaald door Christian Lessenich
heimatb2

Het begin van de geschiedenis van St. Tönis lijkt iets legendarisch. Er is sprake van een schaapherder, die midden in de eenzame Osterheyde (dat was toen de naam van de nog niet bewoonde landstreek) een beeld van de heilige Antonius vond. Alhoewel hij het beeld zorgvuldig opborg, vond hij het toch de volgende dag aan dezelfde vindplaats terug. Deze mysterieuse belevenis herhaalde zich enkele keren en daarom besloot hij, ervoor zorg te dragen dat aan de vindplaats een kapel ter ere van Sint Antonius werd opgericht. Zover de legende.

Erzbischof Friedrich von SaarwerdenDoor oorkonden gestaafd is weliswaar, dat de Keulse keurvorst en aartsbisschop Friedrich von Saarwerden (de Osterheide was deel van het ambt Kempen en behoorde daarmee toe aan het aartsvorstendom Keulen) op 10 september 1380 de vergunning gaf, een kapel met kerkhof in de Osterheide te bouwen. Dit document, dat in Kempen werd opgemaakt, mag als geboorteoorkonde van St. Tönis worden beschouwd, omdat er op de fundamenten van de toenmalige kapel vandaag de katholieke parochiekerk Pfarrkirche St. Cornelius staat. 

En daarmede zijn de twee  heiligen genoemd, die voor St. Tönis een bijzondere betekenis hebben. Terwijl St. Antonius als beschermheilige van de plaats geldt, heeft men voor St. Cornelius als schutspatroon van de parochie gekozen. Op een oorkonde van 1411 zijn beide heiligen afgebeeld.

De naam “St. Tönis” is per slot van rekening afgeleid van de naam van onze plaatselijke beschermheilige en veranderde in de loop der eeuwen van "Neuenrath in der Osterheide"naar "Sanct Antonius in der Heyde" en "St. Thönihs" naar de huidige versie.

Rond om de kapel, die meer en meer uitgroeide naar een kerk, vestigden zich vooral boeren. Gedurende de 17e eeuw kwam de opbloei van de stad op gang. Dit was wederom te danken aan St. Antonius. In de verre omgeving woedden toen ontzettende veeziektes en de noodlijdenden boeren riepen de beschermheilige der huisdieren om hulp aan – St. Antonius. Op die manier ontwikkelde zich het kleine dorpje tijdelijk tot een veel bezocht bedevaartsplaats.

De geschiedenis van St. Tönis werd, net zoals die van de naburige plaatsen, steeds weer door oorlogen beïnvloed. Gedurende de “Truchsessischer Krieg” ondervond de bevolking veel leed, onder meer stortte 1585 als gevolg van de oorlog de kerktoren in en werd de kerk gedeeltelijk vernield. Vermoedelijk was dit aanleiding, 1607 ermee te beginnen, het dorp met wal en gracht tegen vijandige overvallen te beschermen.

Ortsplan (1827)Een plattegrond vanuit het jaar 1827 laat zien, dat het dorp toen alleen door drie porten was te betreden. De ligging van de fortificaties is ook vandaag nog aan het verloop van de straten "Alter Graben" en "Ringstraße" te zien.

Toch konden wal en gracht niet voorkomen dat het dorp in 1642, gedurende de dertigjarige oorlog, na de veldslag aan de Hückelsmay   werd bestormd en geplunderd. De kerk en de net weer herstelde kerktoren werden in brand gestoken.

Das Denkmal an der Hückelsmay
Gedurende de zevenjarige oorlog was er in 1758 opnieuw een veldslag aan de landweer in Forstwald. Het Hückelsmaydenkmal herinnert daar nog steeds aan. Dankzij een krijgslist overwon hertog Ferdinand von Braunschweig met zijn geallieerden Pruisen, Hessen en Hannover over een overmacht Fransen en St.Tönis werd grotendeels gespaard. 

Het Mertenshuis aan de Kirchstraße – het tegenwoordig oudste niet veranderde woonhuis in St. Tönis – werd 13 jaar tevoren opgericht en heeft dus deze periode al meegemaakt.


Bijna net zo oud is de 
windmolen aan de Gelderner Straße, opgericht in 1769, die vandaag als herkenningsteken van onze plaats beschouwd mag worden. De molen werd tot 1945 geexploiteerd, dan werd ze als gevolg van de oorlog zwaar beschadigd. Het duurde tot 1978 voordat ze weer een wiekenkruis kreeg.

Toen Napoleon het linker oever van de Rijn bezette (1794 tot 1814) heette het dorp voor korte tijd "Saint Antoinne" en behoorde tot het Arondissement Crefeld. Het Kongres van Wenen maakte daar in 1815 een einde aan en St. Tönis werd deel van Pruisen; de rond 2.600 inwoners behoorden nu tot het in 1816 opgerichte district Kempen.

Een belangrijke invloed op de verdere ontwikkeling van het dorp was zeker het in 1870 in bedrijf nemen van de spoorlijn “Crefeld-Kreis-Kempener-Industrie-Eisenbahn” (in omgangstaal kort "dä Schluff") met een station in St. Tönis. De jaren tevoor vestigden zich vele nieuwe burgers, die hun geld als wever verdienden, toen nog een vrij nieuwe professie. In de hoogtijdagen van de weverij werkten wevers aan rond 1.400 manuele weefstoelen, meestal in opdracht van Krefeldse firma’s. De nieuwe spoorweglijn naar het nabije Krefeld was dus onder meer voor deze mensen heel belangrijk

Endhaltestelle der Straßenbahnlinie 1 (ca. 1905)Terwijl “dä Schluff” vandaag alleen maar nog voor pleziertochten voor vrienden van nostalgische stoomlocomotieven en wagen wordt gebruikt, is de in 1904 in dienst gestelde tramlijn naar Krefeld nog steeds van grote betekenis voor het openbaar vervoer.

In de tijd van de eerste spoorweglijn kreeg St. Tönis ook een waardig  raadshuis.
In 1877 werd het toenmalige boerenhuis als “burgemeestersambt” in dienst genomen. Gelukkig kon in 1977 het slopen van het huis worden voorkomen. Na grondige renovatie is het vandaag weer de zetel van de burgemeester en uithangbord van de stad.

Der Wasserturm im Bau (1929) Na de eerste wereldoorlog werd in 1929 de grondsteen gelegd voor de  watertoren, die van verre zichtbaar mede de silhouet van St.Tönis uitmaakt.

MarienheimDe tweede wereldoorlog bracht opnieuw veel leed en vernieling over ons dorp.
Volgens optekeningen vielen er 2.394 bommen op St. Tönis. 66 huizen  (waaronder het  Marienheim) - werden vernield en talrijke andere huizen, onder meer de kerk, werden zwaar beschadigd.

421 gesneuvelde soldaten, 44 vermisten en 12 bomoffers stonden aan het eind van deze vreselijke episode te beklagen. 


Tot de gevolgen van de oorlog behoorde ook de toeloop van ongeveer 2.000 ontheemden. Het merendeel daarvan waren protestantse christenen, die in ons dorp een nieuw thuis vonden. Na een periode met provisorische oplossingen ontstonden in 1952/53 een eigen kerk (de Christuskirche) en een schoolgebouw. 

De navolgende jaren stonden geheel in het teken van de wederopbouw. Hele wijken ontstonden rond het centrum van het dorp. Scholen, een jeugdcentrum, sportterreinen en de nieuwbouw van ziekenhuis en bejaardenthuis completeerden de infrastructuur en St. Tönis groeide van ca. 10.000 (1946) naar meer dan 14.000 inwoners in januari 1970.

Stadtrechte

Deze datum, 1 januari 1970, was heel belangrijk voor de geschiedenis van St. Tönis.
Op grond van de communale herstructurering in de deelstaat Noordrijn-Westfalen werden per deze datum de tot zover zelfstandige gemeenten St. Tönis en Vorst 
samengevoegd.


De daardoor ontstaande grootgemeente Tönisvorst heeft een oppervlakte van 44,24 vierkante kilometer en toen 19.474 inwoners.


1979 kreeg Tönisvorst per slot van rekening de Stadsrechten

1998 bereikte de inwonerstal de grens van 30.000 en de stad groeit ook ter begin van het nieuwe millennium door. Dit mag wel als teken worden beschouwd, dat het in Tönisvorst leuk is om te leven.



Bedienungsleiste